Klok
Main Menu
OPENINGSTIJDEN
Wekelijks op de woensdagen van 9.30 uur tot 16.30 uur.
Een keer in de maand op de 2e zaterdag van 9.30 uur tot 13.30 uur.
nog open op;
11 september 2010
9 oktober 2010
13 november 2010
11 december 2010
Gesloten van 20 december 2010 tot en met 4 januari 2011.
Een keer in de maand op de 2e zaterdag van 9.30 uur tot 13.30 uur.
nog open op;
11 september 2010
9 oktober 2010
13 november 2010
11 december 2010
Gesloten van 20 december 2010 tot en met 4 januari 2011.
AGENDA
MEDEDELINGEN EN ACTIVITEITEN:
Limburgse Molendag 2010
is op zondag 3 oktober
Er zijn op deze dag op de St. Petrus molen te Roggel
verschillende demonstraties.
Ook zijn er andere molenaars actief.
Limburgse Molendag 2010
is op zondag 3 oktober
Er zijn op deze dag op de St. Petrus molen te Roggel
verschillende demonstraties.
Ook zijn er andere molenaars actief.
Een serie verhalen uit de oude molenaars opleiding uit 1933
Deel 5
De maalas liep in vier vetlagers en zal ongeveer 120 omwentelingen hebben gemaakt. Hoe de losse schijf was aangebracht op een loopbus, (een extra bus op de as) of dat de schijf direct om de as draaide, daarop heb ik niet gelet, dat ontging nog aan mijn attentie, daarbij wist ik niet dat er verschil in was, en welke constructies er bestonden.
Op de maalas waren gemonteerd twee kamwielen, zogenaamde haakse wielen, Dat waren nog houten wielen, ongeveer gemaakt als een bovenwiel in een windmolen. Maar een houten naaf kan men zo maar niet op een ronde as vastzetten, anders dan geklemd, en daarvoor zou het kamwiel tweedelig (in twee helften) moeten zijn. Daarbij zou men dan de wielen toch nog niet kunnen vasthouden op de as, omdar er altijd stoten in kamwielen voorkomen.
Daarom hadden deze wielen een gietijzeren naaf met een vierkante zware plaat. Deze plaat was met bouten aan de wielen geschroefd. De naaf kon nu op de as worden vastgespied. Hoe dat gebeurt, is ook nog lang niet hetzelfde. Ik geloof, dat er een vaste rechte spie in de as was ingelaten en dat er verder twee bouten in de naaf waren, die gewoon op de as werden vastgeschroefd.
De spillen, dat zijn de vertikale assen, waarmede de stenen worden gedreven, hadden ieder een overeenkomstig houten kamwiel. Deze wielen waren op dezelfde manier op de spillen vastgemaakt. Aangezien we nu eens de ene steen, dan weer de andere steen moesten gebruiken, moesten we van deze wielen de bouten losdraaien, het wiel oplichten en er dan een blokje onder zetten.
We hadden ook de bouten op de spil weer kunnen vastschroeven, wat wel zo secuur zou zijn. Want eenmaal is dit blokje onder het draaien weggevallen en kostte dit een heel gang kammen. Het wiel op de spil lag in bedrijf op een stelring, zodat we dit wiel niet te diep konden zetten.
Azijnhouten kammen die in de kamwielen zijn aangebracht, worden gemaakt van zeer droge azijnbouten stokken. Dit zijn maar dunne stammen van een Italiaans eikensoort. Azijnbout is dus eikenhout, dat zich zeer goed leent voor kammen in haakse kamwielen, enz. Als het hout niet zeer droog is, werken de tanden in de wielen gemakkelijk los en dan kan men de tanden onder het draaien horen rammelen. Aangezien bij de meeste haakse wielen de tanden door houten wangen worden vastgewigd aan het staarteinde, meent men, dat door het aanslaan van de wiggen de kammen weer vastzitten. Wel zijn ze dan een beetje aangetrokken door het vastslaan van de wiggen, maar helpen doet dat niets, want men heeft immers de tand niet dikker gemaakt.
Daarom is het beter, de kam, die loszit, even uit te nemen en met een reep katoen aan het eind er weer in te slaan. Zelfs de beste kammen werken op den duur los.
Behalve azijnhout, gebruikt men ook wel gewoon beukenhout (in windmolens). Dit hout is minder veerkrachtig en de nerf is kort. Terwijl een azijnkam buigt, en soms splintert, kan een beukenkam afbreken.
In windmolens heeft men ook wel acacia kammen, die ook goed zijn. De staven van de rondsels in windmolens worden wel eens van palmhout gemaakt. Palmhout is zeer hard, geel van kleur, en het loopt spiegelglad.
In rondsels, waarbij de staven aan twee kanten steunen in de schijven, zijn ze zeer goed, maar als kam, vooral als men ze vast moet inslaan, kunnen ze afbreken, omdat het hout bros is.
Een heel enkele maal komt essenhout voor in haakse kamwielen. Dit hout is wel zeer veerkrachtig, het breekt niet gauw, maar voor zwaar werk is het niet zo geschikt, omdat het versplintert.
Verder heeft men in veel maalderijen in plaats van haakse kam wielen, de conische wielen (kegelwielen) met schuin staande tanden.
De tanden zijn dan breed (voor steenaandrijving hebben de tanden een breedte van 90 tot 140 mm) en kort.
De houten tanden bij conische wielen worden wel van azijnhout gemaakt, maar veelal ziet mijn ze van het zogenaamde witbeukenhout.
Dit ziet er, wat de nerf betreft, precies zo uit als gewoon beuken, maar het hout is veel blanker. Goed droog ingezet, en werkend tegen een goed conisch wiel, met op steek staande ijzeren tanden, gaan deze kammen zeer lang mee.
De kammen worden soms ingesmeerd met kammensmeer, waardoor de tand een glad oppervlak krijgt. Het smeer moet de oneffenheden van het hout opvullen, en daarom moet het zich goed aan het hout hechten, anders houdt het niet lang.
Meestal gebruikt men daarvoor was, zuivere bijenwas. Deze was wordt boven een vlam warm gemaakt, zodat ze een weinig vloeibaar wordt, en dan wordt ze goed op de loopzijde van de kam uitgestreken.
Soms gebruikt men dunne was, die men krijgt door zuivere was in terpentijn op te lossen. De dunne was behoeft niet verwarmd te worden en laat zich dus gemakkelijk op de kammen brengen, maar ze houdt niet zo vast, wordt eerder weggedrukt, dan warm in gesmeerde zuivere was,
Er is nog wel een zeer goed kammensmeer, dat koud op de kammen gestreken wordt; dit bestaat uit vlokken grafiet, was en lijnolie.
Men kan het als volgt bereiden;
Men neemt:
2 gewichtsdelen vlokkengrafiet, 2 gewichtsdelen was, 1 deel lijnolie, en laat dit boven een klein vuur langzaam smelten. Men moet goed roeren, vooral als na het smelten de massa stolt, anders scheidt de grafiet zich af. Naarmate men iets meer of minder lijnolie neemt, wordt het smeer zachter of harder.
Met dit smeer heeft men in weinige ogenblikken de kammen ingesmeerd en dan lopen ze weer geruime tijd.
Dat wassen van de kammen behoort ook tot het werk van de leerling en zo heb ik het ook al gauw moeten doen. Als je dan maar onder de maalsteen, bij het drijfwerk je ogen goed de kost geeft, dan is er aan de kamwielen, hoe ze precies door elkaar lopen, veel te zien.
Is de as soms aan de kamwielen niet te draaien, dan moet een ander aan de riemschijf zeer langzaam draaien. Als er tijd voor is, dan kan men nog wel een kwartiertje onder bij het drijfwerk blijven, om alle onderdelen eens goed in ogenschouw te nemen.
Zijn de kammen allemaal goed gesmeerd, dan laat men de as nog eens zeer langzaam met de hand draaien en men let goed op, of de kammen, als ze op het diepst ingrijpen, allemaal wel tegen de tegenoverstaande kammen aanliggen. Als dit niet zo is, dan is het gang niet meer op steek.
Men voelt of de kammen vast staan, kijkt in welk soort lagers de as loopt, of de as recht is, of de lagers geen speling hebben, hoe de kammen en de riemschijven op de assen en steenspillen zijn bevestigd, zodat, als men later in een ander bedrijf komt, waar de montage op een andere manier is uitgevoerd, men kan vergelijken.
Het soort lagers, de aanbrenging van de stelringen in de lagers, of buiten tegen de lagers, het vastmaken van de wielen op de assen, dat is lang niet gelijk, het kan veel beter zijn dan het ander.
Natuurlijk moeten we meteen eens opletten, of de kamwielen wel goed vast op de as zitten, anders slaan ze zich op den duur ruimte en gaan zij steeds slechter lopen.
Het is altijd zeer goed voor de leerling, als hij onder de maalstoel de zaak moet schoonmaken. Dat heb ik zelf bij ondervinding.
En als dan meteen de riemschijven, die dikwijls veel stof meenemen, en dus vuil kunnen zijn, uitgeveegd moeten worden, de kamwielen eveneens, de as en de lagers schoongemaakt, dan heeft de leerling, behalve dat hij een zindelijk drijfwerk heeft gekregen, ook weer wat gezien en opgemerkt.
De maalas liep in vier vetlagers en zal ongeveer 120 omwentelingen hebben gemaakt. Hoe de losse schijf was aangebracht op een loopbus, (een extra bus op de as) of dat de schijf direct om de as draaide, daarop heb ik niet gelet, dat ontging nog aan mijn attentie, daarbij wist ik niet dat er verschil in was, en welke constructies er bestonden.
Op de maalas waren gemonteerd twee kamwielen, zogenaamde haakse wielen, Dat waren nog houten wielen, ongeveer gemaakt als een bovenwiel in een windmolen. Maar een houten naaf kan men zo maar niet op een ronde as vastzetten, anders dan geklemd, en daarvoor zou het kamwiel tweedelig (in twee helften) moeten zijn. Daarbij zou men dan de wielen toch nog niet kunnen vasthouden op de as, omdar er altijd stoten in kamwielen voorkomen.
Daarom hadden deze wielen een gietijzeren naaf met een vierkante zware plaat. Deze plaat was met bouten aan de wielen geschroefd. De naaf kon nu op de as worden vastgespied. Hoe dat gebeurt, is ook nog lang niet hetzelfde. Ik geloof, dat er een vaste rechte spie in de as was ingelaten en dat er verder twee bouten in de naaf waren, die gewoon op de as werden vastgeschroefd.
De spillen, dat zijn de vertikale assen, waarmede de stenen worden gedreven, hadden ieder een overeenkomstig houten kamwiel. Deze wielen waren op dezelfde manier op de spillen vastgemaakt. Aangezien we nu eens de ene steen, dan weer de andere steen moesten gebruiken, moesten we van deze wielen de bouten losdraaien, het wiel oplichten en er dan een blokje onder zetten.
We hadden ook de bouten op de spil weer kunnen vastschroeven, wat wel zo secuur zou zijn. Want eenmaal is dit blokje onder het draaien weggevallen en kostte dit een heel gang kammen. Het wiel op de spil lag in bedrijf op een stelring, zodat we dit wiel niet te diep konden zetten.
Azijnhouten kammen die in de kamwielen zijn aangebracht, worden gemaakt van zeer droge azijnbouten stokken. Dit zijn maar dunne stammen van een Italiaans eikensoort. Azijnbout is dus eikenhout, dat zich zeer goed leent voor kammen in haakse kamwielen, enz. Als het hout niet zeer droog is, werken de tanden in de wielen gemakkelijk los en dan kan men de tanden onder het draaien horen rammelen. Aangezien bij de meeste haakse wielen de tanden door houten wangen worden vastgewigd aan het staarteinde, meent men, dat door het aanslaan van de wiggen de kammen weer vastzitten. Wel zijn ze dan een beetje aangetrokken door het vastslaan van de wiggen, maar helpen doet dat niets, want men heeft immers de tand niet dikker gemaakt.
Daarom is het beter, de kam, die loszit, even uit te nemen en met een reep katoen aan het eind er weer in te slaan. Zelfs de beste kammen werken op den duur los.
Behalve azijnhout, gebruikt men ook wel gewoon beukenhout (in windmolens). Dit hout is minder veerkrachtig en de nerf is kort. Terwijl een azijnkam buigt, en soms splintert, kan een beukenkam afbreken.
In windmolens heeft men ook wel acacia kammen, die ook goed zijn. De staven van de rondsels in windmolens worden wel eens van palmhout gemaakt. Palmhout is zeer hard, geel van kleur, en het loopt spiegelglad.
In rondsels, waarbij de staven aan twee kanten steunen in de schijven, zijn ze zeer goed, maar als kam, vooral als men ze vast moet inslaan, kunnen ze afbreken, omdat het hout bros is.
Een heel enkele maal komt essenhout voor in haakse kamwielen. Dit hout is wel zeer veerkrachtig, het breekt niet gauw, maar voor zwaar werk is het niet zo geschikt, omdat het versplintert.
Verder heeft men in veel maalderijen in plaats van haakse kam wielen, de conische wielen (kegelwielen) met schuin staande tanden.
De tanden zijn dan breed (voor steenaandrijving hebben de tanden een breedte van 90 tot 140 mm) en kort.
De houten tanden bij conische wielen worden wel van azijnhout gemaakt, maar veelal ziet mijn ze van het zogenaamde witbeukenhout.
Dit ziet er, wat de nerf betreft, precies zo uit als gewoon beuken, maar het hout is veel blanker. Goed droog ingezet, en werkend tegen een goed conisch wiel, met op steek staande ijzeren tanden, gaan deze kammen zeer lang mee.
De kammen worden soms ingesmeerd met kammensmeer, waardoor de tand een glad oppervlak krijgt. Het smeer moet de oneffenheden van het hout opvullen, en daarom moet het zich goed aan het hout hechten, anders houdt het niet lang.
Meestal gebruikt men daarvoor was, zuivere bijenwas. Deze was wordt boven een vlam warm gemaakt, zodat ze een weinig vloeibaar wordt, en dan wordt ze goed op de loopzijde van de kam uitgestreken.
Soms gebruikt men dunne was, die men krijgt door zuivere was in terpentijn op te lossen. De dunne was behoeft niet verwarmd te worden en laat zich dus gemakkelijk op de kammen brengen, maar ze houdt niet zo vast, wordt eerder weggedrukt, dan warm in gesmeerde zuivere was,
Er is nog wel een zeer goed kammensmeer, dat koud op de kammen gestreken wordt; dit bestaat uit vlokken grafiet, was en lijnolie.
Men kan het als volgt bereiden;
Men neemt:
2 gewichtsdelen vlokkengrafiet, 2 gewichtsdelen was, 1 deel lijnolie, en laat dit boven een klein vuur langzaam smelten. Men moet goed roeren, vooral als na het smelten de massa stolt, anders scheidt de grafiet zich af. Naarmate men iets meer of minder lijnolie neemt, wordt het smeer zachter of harder.
Met dit smeer heeft men in weinige ogenblikken de kammen ingesmeerd en dan lopen ze weer geruime tijd.
Dat wassen van de kammen behoort ook tot het werk van de leerling en zo heb ik het ook al gauw moeten doen. Als je dan maar onder de maalsteen, bij het drijfwerk je ogen goed de kost geeft, dan is er aan de kamwielen, hoe ze precies door elkaar lopen, veel te zien.
Is de as soms aan de kamwielen niet te draaien, dan moet een ander aan de riemschijf zeer langzaam draaien. Als er tijd voor is, dan kan men nog wel een kwartiertje onder bij het drijfwerk blijven, om alle onderdelen eens goed in ogenschouw te nemen.
Zijn de kammen allemaal goed gesmeerd, dan laat men de as nog eens zeer langzaam met de hand draaien en men let goed op, of de kammen, als ze op het diepst ingrijpen, allemaal wel tegen de tegenoverstaande kammen aanliggen. Als dit niet zo is, dan is het gang niet meer op steek.
Men voelt of de kammen vast staan, kijkt in welk soort lagers de as loopt, of de as recht is, of de lagers geen speling hebben, hoe de kammen en de riemschijven op de assen en steenspillen zijn bevestigd, zodat, als men later in een ander bedrijf komt, waar de montage op een andere manier is uitgevoerd, men kan vergelijken.
Het soort lagers, de aanbrenging van de stelringen in de lagers, of buiten tegen de lagers, het vastmaken van de wielen op de assen, dat is lang niet gelijk, het kan veel beter zijn dan het ander.
Natuurlijk moeten we meteen eens opletten, of de kamwielen wel goed vast op de as zitten, anders slaan ze zich op den duur ruimte en gaan zij steeds slechter lopen.
Het is altijd zeer goed voor de leerling, als hij onder de maalstoel de zaak moet schoonmaken. Dat heb ik zelf bij ondervinding.
En als dan meteen de riemschijven, die dikwijls veel stof meenemen, en dus vuil kunnen zijn, uitgeveegd moeten worden, de kamwielen eveneens, de as en de lagers schoongemaakt, dan heeft de leerling, behalve dat hij een zindelijk drijfwerk heeft gekregen, ook weer wat gezien en opgemerkt.

