Klok
 
Main Menu
No events for this month.

SMTWTFS



1234
567891011
12131415161718
19202122232425
2627282930

OPENINGSTIJDEN
Wekelijks op de woensdagen van 9.30 uur tot 16.30 uur.

Een keer in de maand op de 2e zaterdag van 9.30 uur tot 13.30 uur.

nog open op;

11 september 2010
9 oktober 2010
13 november 2010
11 december 2010


Gesloten van 20 december 2010 tot en met 4 januari 2011.
AGENDA
MEDEDELINGEN EN ACTIVITEITEN:



Limburgse Molendag 2010
is op zondag 3 oktober

Er zijn op deze dag op de St. Petrus molen te Roggel
verschillende demonstraties.
Ook zijn er andere molenaars actief.
Een serie verhalen uit de oude molenaars opleiding uit 1933
Deel 2

Zoals u bekend, is het onze opzet, in een aantal artikelen het een en ander te behandelen, waarbij we ons voorstellen, dat we eerst gaan vertellen voor beginnelingen in ons vak. We hopen dan langzamerhand een aaneenschakeling te krijgen van meer en min¬der belangrijke onderwerpen. We willen daar liever geen dood of vervelend lesje van maken, en zullen we thans beginnen met enkele herinneringen uit onze leerjaren.

Zo heeft Dirksen (Rijnenberg. Red.) zich dan in gedachten verplaatst in de tijd, dat hij zelf nog geen begrip had van de maal¬derij, toen hij bij zijn eerste baas kwam, en daar stond als een kat in een vreemd pakhuis.
Mijn eerste patroon dan, had een kleine maalderij, twee koppel stenen op een maalstoel, een hijswerk of luiwerk, en verder als drijfkracht een verouderd model petroleummotor. Het was er een van 25 pk en voor die tijd een tamelijk sterke machine, fabrikaat Alsche. Een zeer eenvoudige constructie, maar met gloeibuis ontsteking.

zie noot

Dat aanzetten van de motor, dat vond ik een wonder, want dan draaide de baas de motor een slag of wat rond, als de gloeibuis flink roodgloeiend was, goot boven in een klepje een vingerhoed benzine in de cilinder, hield bij dat klepje een brandende lont, liet, door met de linkerhand het vliegwiel iets vooruit te draaien, de vlam van de lont naar binnenzuigen, en dan ontplofte de benzine. Daardoor werd de zuiger krachtig vooruitgestuwd, het klepje op de cilinder gesloten, en in zes van de tien gevallen kreeg de machine genoeg gang om daarop aan te slaan en op petroleum door te werken. Ik mocht er bij kijken en een beetje helpen, maar ik was toch wel wat bang voor 'ie verraderlijke sprong van die benzine-ontbranding.
De lamp, met petroleumvergasser, kon ik al gauw behandelen, verdere bediening had de machine niet nodig. Alleen de oliedruppelpot op de zuiger moest gecontroleerd worden; die kon wel eens verstoppen en moest bij koude motor verder open staan dan bij warme motor. De twee lagers van de krukas werden met vet gesmeerd, de vetpotten werden maar weinig aangedraaid, b.v. twee maal per week. Het kruklager had een automatische vetsmering, een grotere koperen bus, die met consistentvet werd gevuld en waarin het vet werd aangedrukt door een zuiger met drukveer. Een regelschroefje in het kanaal tussen vetpot en lager kon de toevoer vernauwen of verwijden, met begrijpelijk gevolg.
Ik zou dat niet geweten hebben, als mij niet eens was opgedragen om dat schroefje een halve slag aan te draaien.
Deze motor gebruikte maar zeer weinig vet in de lagers en het gevolg daarvan was, dat de machine niet erg vuil werd op die plaats. Maar de automatische vetpot wist daar wel raad mee. Het kruklager wordt natuurlijk, naar gelang korter of langer gebruik, ook warmer, en aangezien het vet daardoor dunner wordt en de veerdruk dezelfde blijft bij koude of warmte, was die regeling niet erg volmaakt; er werd bij warmer worden wel wat meer vet gebruikt Daar hel spatscherm om de kruk ook met zo bijster aan zijn duel beantwoordde en wel eens enige tijd buiten gebruik was geweest, wezen twee zwarte vetstrepen op zoldering en muren aan, dat het half verlopen vet langs de krukas-metalen werd weggeslingerd
Het verbruik aan petroleum was mij met bekend en hoe ge¬makkelijk dat ook na te gaan zou zijn geweest, daarvoor miste ik natuurlijk leiding; het drong toen nog niet tot me door, dat dit zo'n voorname factor is.
Zeer gemakkelijk had ik het petroleumreservoir op de brandstofhoogte een merkteken kunnen geven en na afloop van het werk kunnen uitrekenen hoe groot het verbruik was geweest, door op te meten hoeveel liter was gebruikt, of door het vat bij te vullen tot op de oude oliestand en te zien hoeveel liter daarvoor nodig was. Had ik daarbij de tijden opgenomen, die de motor in bedrijf was geweest, en ook de gemalen hoeveelheid, dan had ik meer geweten dan mijn patroon, want die wist het ook niet.
Mijn belangstelling ging echter wel uit naar de werkingswijze van dat krachtmonster, waarvan ik graag wilde weten hoe een en ander in zijn werk ging.
Dat duurde nog wel even, want zoals sommige lezers ook wel zullen weten, ligt de werking van het mechaniek van de uitlaat¬klep (een liggende klep bij dat type) niet erg voor de hand. Misschien kwam het ook wel door gebrek aan enige routine, om een of andere constructie snel te begrijpen.

Zeker ook door gebrek aan leiding, waardoor alle bedenkselen omtrent de ontsluiering der geheimen van de motor op geen enkele wijze werden bevestigd. Alles moest door eigen ondervinding worden opgebouwd en de baas was, hoewel een goed molenaar, ook niet erg met die mo¬tor op de hoogte, althans hij heeft mij er niet veel van verteld.
Het onderhoud van de motor vond zijn zwaartepunt in dat van de lamp met vergasser. Waren de beide lampen in orde, (één was reserve) dan was het wel zo goed als zeker, dat de motor niet weigerde.
Ik heb nu de overtuiging, dat, als steeds gefiltreerde petroleum of benzine was gebruikt, we ons veel onaangenaamheden hadden bespaard. Dikwijls werd begonnen, d.w.z., het werd geprobeerd, met een lamp, die niet doorbrommen wilde, die een slechte vergassing had en dus dood brandde; er ontstonden koolkorsten in de vergassingsbuisjes en het fijne verstuivergaatje verstopte. De lamp deed het niet. Dan de andere maar, maar die deed zijn kammeraad precies na, en meermalen zag ik ten einde raad en in drift de lamp in een hoek gooien, natuurlijk helemaal zonder resultaat. Was dan de drift bekoeld, dan ging mijn leermeester toch weer aan de lamp prutsen, totdat we een schijn van kans hadden, dat hij het wel weer zou doen.
Brandde de lamp goed, dan was de gloeibuis in een minuut of zes a zeven heet en draaide de motor spoedig.
Er is met deze motor tamelijk gesukkeld, maar dit had voor 80% voorkomen kunnen worden, als er meer zorg aan de lampen was besteed, ais mijn patroon beter machinist was geweest, of als hij mij opgedragen had, op geregelde tijdstippen de lampen secuur schoon te maken.
We zouden deze zaak nu zeer gewoon vinden, maar men moet niet vergeten, dat er vroeger minder aandacht voor de motoren bestond en dat men over een veel kleiner aantal technici beschikte dan nu.
Niemand in de omgeving had enig verstand van zulk een machine, dus was men geheel op zichzelf aangewezen.
Zoals ik reeds zei, had mijn eerste patroon niet veel verstand van zijn gloeibuispetroleummotor , en zodoende moest ik zelf maar zien uit te vinden, wat ik er van wilde weten.


Gelukkig vond ik op zijn schrijftafel een boekje, reclame van een smeerolie-leverancier, en daarin stond de werkingswijze beschreven van allerlei motoren, die er vijfentwintig jaar geleden waren. Dat was werkelijk een aardig boekje, vooral, omdat het zeer in mijn smaak viel.
Behalve dat, ging het natuurlijk over de smeerolie en ik kan wel zeggen, dat ik het zeer grondig heb gelezen. Ook allerlei motortypen werden beschreven, zodat ik voor mijn doen al aardig op de hoogte raakte van de motoren.
We moeten niet vergeten, dal het toen heel wat moeilijker was iets te leren op motorengebied, dan heden, nu er veel meer vak¬mensen zijn en er veel meer lectuur bestaat.En zo kwam het, dat ik betrekkelijk gauw enige kijk op de motor had en mijn baas ook in de gaten kreeg dat ik nog wel geschikt zou zijn voor „machinist".
Na die tijd heb ik nooit meer met een Alsche motor gewerkt, er ook nooit meer een gezien, hoewel ik er toch nog wel eens over heb gehoord.

Render time: 0.3030 second(s); 0.0461 of that for queries. Memory Usage: 2,482kb